Volltext : Reichs-Gesetzblatt. 1898. (32)

—  100  —

Sie  dürfen  weder  verhaftet  noch  ge—
fänglich  eingezogen  werden,  ausgenommen
  für  Handlungen,  welche  die  Strafgesetzgebung
  des  Staates,  in  welchem
sie  ihren  Amtssitz  haben,  als  Verbrechen
bezeichnet  und  bestraft.

Artikel  11.

Die  Generalkonsuln,  Konsuln,  Vicekonsuln
  und  ihre  Kanzler  oder  Sekretäre,
sowie  die  Konsularagenten  sind  verbunden,
vor  Gericht  Zeugniß  abzulegen,  wenn
die  Landesgerichte  solches  für  erforderlich
halten.  Doch  soll  die  Gerichtsbehörde
in  diesem  Falle  sie  mittelst  amtlichen
Schreibens  ersuchen,  vor  ihr  zu  erscheinen.

Artikel  12.

Die  Generalkonsuln,  Konsuln,  Vicekonsuln
  und  Konsularagenten  können
an  dem  Konsulatsgebäude  das  Wappen
des  Staates,  für  welchen  sie  ernannt
sind,  mit  der  Umschrift:  „Generalkonsulat,
Konsulat,  Vicekonsulat  oder  Konsularagentur
  von  .  .  .  .“  anbringen  und  ihre
Landesflagge  auf  dem  Konsulatsgebäude
aufziehen.

Es  versteht  sich  von  selbst,  daß  die
äußeren  Abzeichen  niemals  so  aufgefaßt
werden  dürfen,  als  begründeten  sie  ein
Asylrecht.

Artikel  13.

Die  Konsulatsarchive  sind  jederzeit
unverletzlich,  und  die  Landesbehörden
dürfen  unter  keinem  Vorwande  und  in
keinem  Falle  die  zu  den  Archiven  gehörigen
  Dienstpapiere  einsehen  oder  mit
Beschlag  belegen.  Die  Dienstpapiere
mussen  stets  von  den  das  etwaige  kauf-Zij

  mogen  noch  in  hechtenis  noch
gevangen  genomen  worden,  behalve
voor  handelingen  welke  de  strafwetgeving
  van  den  staat,  waarin
zij  hunnen  ambtszetel  hebben,  als
misdaden  kenmerkt  en  straft.

Artikel  11.

De  Consuls-Ceneraal,  Consuls,
Vice-Consuls  en  hunne  Kanseliers
of  Secretarissen,  alsmede  de  Consulaire
  Agenten  zijn  gehouden  voor
het  gerecht  getuigenis  af  te  leggen,
wanneer  de  landsgerechten  zulks
noodig  achten.  Doch  in  dit  geval
zal  de  rechterlijke  overheid  hun
bij  ambtelijk  schrijven  verzoeken
voor  haar  te  verschijnen.

Artikel  12.

De  Consuls-Generaal,  Consuls,
Vice-Consuls  en  Consulaire  Agenten
kunnen  aan  het  consulaatsgebouw
het  wapen  plaatsen  van  den  staat,
voor  welken  zij  benoemd  zijn,  met
hiet  randschrilt:  „Consulaat-Generaal,
Consulaat,  Vice-Consulaat  of  Consulair
  Agentschap  van.  .  .  .«  en  hunne
landsvlag  op  het  consulaatsgebouw
hijschen.

Het  spreekt  van  zelf,  dat  de
uiterlijke  teekenen  nimmer  zoo  mogen
worden  opgevat,  als  of  zij  een
asy  lrecht  zouden  vestigen.

Artikel  13.

De  consulaire  archieven  zijn  te
allen  tijde  onschendbaar,  en  de  landsoverheid mag
  onder geen  voorwendsel
en  in  geen  geval  de  tot  de  archieven
behoorende  dienstpapieren  inzien  of
er  beslag  op  leggen.  De  dienstpapieren
  moeten  steeds  volkomen